Mattheus 4:17



  • "en Mijn volk, waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in ootmoed buigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zij zich bekeren van hun slechte wegen, dan zal Ik vanuit de hemel horen, hun zonden vergeven en hun land genezen." 2 Kronieken 7:14 (Hsv)

    "Weeklaag als een jonge vrouw, omgord met een rouwgewaad, die klaagt om de man van haar jeugd." Joel 1:8

Berouw & inkeer en Opwekking, in Nijkerk (uit een verslag)
'Aan het einde van de zomer van 1749 beginnen steeds meer mensen zich zorgen te maken over hun geestelijke toestand. Elke samenkomst wordt bepaald door deze vraag: "Hoe kan ik zeker zijn van mijn redding?" Omdat het aantal bezoekers nu snel toeneemt, besluit Kuijpers iets wat in de bestaande kerkstructuur revolutionair is: hij zet lekepredikers (niet opgeleide predikers) in bij de huissamenkomsten, die in aantal explosief groeien. Dit oogst veel kritiek van zijn collega's omdat in die tijd de dominee geacht wordt al het werk te doen. Deze heeft er immers voor gestudeerd. Ook zijn collega, dominee Roldanus heeft kritiek op dit besluit van Kuijpers, maar omdat hij de vruchten in de mensen ziet, smelt zijn kritiek grotendeels.

Inmiddels zijn de huissamenkomsten het gesprek van de dag geworden. Zelfs in de kroegen worden diensten gehouden. Gerardus is verbijsterd als hij ziet dat de mensen zo bezig zijn met hun redding en als hij 's avonds na een huissamenkomst thuis komt, ontdekt hij dat alle kamers van zijn huis tjokvol zitten met mensen die niet weten waar ze met hun zonden heen moeten.

Het is 17 november 1749. Dominee Kuijpers preekt die zondag over Psalm 72:16 - "Een overvloed van koren zij in het land; op de toppen der bergen golve zijn vrucht als op de Libanon, en de stedelingen mogen opbloeien als het kruid der aarde." De kerk is vol. De mensen zijn overal vandaan gekomen. De Nijkerkse beroeringen zijn begonnen. Terwijl Kuijpers Gods Woord uit Psalm 72 brengt, beginnen overal mensen te beven en te huilen. De verslagenheid als gevolg van zondebesef is algemeen. In de kerk beginnen mensen te roepen om Gods genade. Het gekerm en geroep is zo groot dat Kuijpers zich bijna niet meer verstaanbaar kan maken.

Tijdens de latere preekbespreking raakt iedereen overtuigd van zonde. Sommigen vallen plotseling op de grond, alsof ze zijn bezweken onder een last die niet te dragen is. Anderen vallen op hun knieën en huilen luid om hun zonden. Er is een diepe honger naar het levendmakende woord van God. Kuijpers spreekt over de werking van Gods Geest in het mensenhart, en als hij uit de bijbel begint te lezen, breekt een niet te stoppen gehuil uit. Kunnen de mensen verlost worden van hun torenhoge zonden? Als Kuijpers aan het einde van de dienst de zegen meedeelt aan de mensen, valt een aantal van hen op de grond. Mensen kunnen niet meer spreken vanwege hun zondebesef. Er woedt een geestelijke strijd om mensenzielen. Tot diep in de nacht gaat het door en de mensen leren dat er verlossing en vergeving is voor zondaren. De oogsttijd is nu begonnen. Alles in Nijkerk staat op het punt om totaal getransformeerd te worden.'